De Evangeliën: Auteurschap en Datering – Closing Statement

Inleiding

Wederom wil ik Radagast bedanken voor zijn uitstekende weerwoord. Het wordt nu echt interessant. Zijn weerwoord kun je hier terug vinden. Ik zal een aantal passages uit zijn weerwoord halen en daar op reageren.


Quote 1: De Titels van de Evangeliën

“Als we op basis van het bewijsmateriaal toch een uitspraak zouden moeten doen over wat de oorspronkelijke titels waren, dan zou dat zijn dat de huidige titels, ‘Het Evangelie naar de beschrijving van Mattheüs/Markus/Lukas/Johannes’, de oorspronkelijke titels zijn. Deze titels zijn bewaard in zeer vroege papyri uit de derde en vierde eeuw (p4, p62, p66, p75), oude codices uit de vierde en vijfde eeuw (א, A, B, C, D, W) en ook in vertalingen zoals het Syrisch (vanaf de vierde eeuw), Latijn (vijfde- eeuwse Oud-Latijnse manuscripten en de Vulgaat) en Koptisch (vanaf de vierde eeuw).2 De titels in de Griekse manuscripten zijn ook nog eens verspreid over verschillende teksttypes (Alexandrijns Byzantijns en Westers).” – Radagast de Bruine

Het is onmogelijk voor ons om te weten wat de oorspronkelijk titels zijn (als er al titels waren), simpelweg omdat we de oorspronkelijk werken, of te wel de originele manuscripten, niet tot onze beschikking hebben. We hebben enkel kopieën van kopieën van kopieën van kopieën etc. Radagast komt ook niet verder dan het aanhalen van “kopieën” uit de derde, vierde en vijfde eeuw. Zo’n 200 tot 400 jaar nadat de evangeliën geschreven zouden zijn. Om te stellen dat de titels van de evangeliën bekend waren eind eerste eeuw omdat geschriften uit de derde, vierde en vijfde eeuw de titles dragen is niet overtuigend. De oude NT manuscripten vormen dus geen bron van vroege attestatie van de titels wat betreft de evangeliën.

“Een werk is pas echt anoniem als de eerste lezers niet weten wie de auteur is. Dit is echter ook onwaarschijnlijk. De christelijke gemeenschap in de eerste eeuw was niet groot. Bovendien weten we van Papias en andere vroege kerkvaders dat de evangelisten in opdracht schreven. In Lukas 1:3 wordt de naam van de opdrachtgever, Theofilus, zelfs genoemd.” – Radagast de Bruine

Lucas vermeldt echter nooit wie deze “Theofilus” is. De naam betekent letterlijk “vriend van god” en zou dus ook betrekking kunnen hebben op een groep mensen die vrienden zijn van god of godliefhebbers.

Een traditie is dat Theofilus een Romeinse opdrachtgever is. Deze opvatting is echter niet zonder problemen aangezien de Romeinen er in Lucas (maar ook in Handelingen) niet echt goed van afkomen. Pontius Pilates, bijvoorbeeld, wordt afgeschilderd als een zwakke leider die buigt onder druk van zijn onderdanen. Iets wat niet uit andere bronnen over Pontius Pilates blijkt en dus bots Lucas hier met andere bronnen over Pilates zoals Josephus en Philo. Maar dit is enkel een van de vele tradities over wie Theofilus was, feit is dat we het gewoon niet weten.


Quote 2: De Evangeliën als Ooggetuigenverslagen

‘TDM geeft aan dat de evangelisten nergens beweren ooggetuigen te zijn of ooggetuigen gesproken te hebben. Ten eerste is dit niet waar, omdat de auteur van het vierde evangelie een ooggetuige beweert te zijn.” – Radagast de Bruine

Dit klopt niet helemaal en dit heb ik ook deel besproken in mijn openingsstatement onder het kopje “Johannes”. Laten we nog eens goed kijken wat er gezegd wordt:

 “Dit is de discipel die van deze dingen getuigt en deze dingen beschreven heeft; en wij weten dat zijn getuigenis waar is. – Johannes 21:24

Lees hoe deze zin gebruik maakt van het woordje “wij”. Wie is die “wij”? Dat is de auteur. De auteur differentieert duidelijk tussen “hem” (de geliefde discipel) en “wij” (de auteur). Ook hier is de auteur dus zelf geen ooggetuigen en weten we dus niet wie de auteur is van Johannes. Zou het kunnen dat het hier over een getuigenis gaat van iemand die er daadwerkelijk bij was? Dat zou kunnen, alleen is dat heel onwaarschijnlijk aangezien Johannes volgens Handelingen 4:13 ongeletterd was en een Aramees sprekende laagopgeleide Jood van het platteland was. Ik heb redenen gegeven waarom die geen Grieks konden spreken en Johannes is een origineel Grieks document, geen vertalingen vanuit het Aramees. Tevens wordt Johannes gedateerd op 90CE, zo’n 60 jaar na de gebeurtenissen rondom Jezus. Het is gezien de gemiddelde leeftijd destijds onwaarschijnlijk dat er nog ooggetuigen leefden in 90CE.

“Ook al geven in ieder geval drie evangelisten niet aan dat zij ooggetuigen zijn of kennen, dat wil nog niet zeggen dat zij dat daarom niet zijn. Zoals TDM zelf ook aangeeft, was het in de Oudheid gebruikelijk om een objectieve beschrijving van gebeurtenissen te geven en over jezelf in de derde persoon te schrijven. Er kunnen goede redenen zijn (externe en interne aanwijzingen, zie mijn openingsbijdrage) om alsnog aan te nemen dat de auteurs ooggetuigen zijn of zich op ooggetuigen baseren.” – Radagast de Bruine

Die redenen die zijn er helaas niet. Zoals ik al zei, de auteurs identificeren zich nergens  en nergens geven de evangeliën aan ooggetuigenverslagen te zijn. Iets wat Radagast ook toegeeft wat betreft Marcus, Mattheus en Lucas. Misschien heeft Radagast hier een typefout gemaakt, maar ik heb nergens gezegd dat men in de Oudheid zich hield aan “objectieve” geschiedschrijving. De manier van geschiedschrijving in de Oudheid is niet volgens de standaard van vandaag.

Ik heb verteld dat de evangeliën het beste gezien kunnen worden als Grieks-Romeinse biografieën. “Deze biografieën waren minder geïnteresseerd in wat er daadwerkelijk gebeurde op historisch vlak, maar meer bezig met het overbrengen van de persoonlijkheid van het hoofdpersonage via zijn/haar woorden, daden en interacties”. Gezien deze karakteristieken, gezien het doel van de evangeliën (mensen vertellen over Jezus om hen te bekeren) en het feit dat er orale tradities aan sommige delen van de evangeliën ten grondslag liggen (welke sterk veranderbaar zijn over tijd), lijkt het me dus niet waarschijnlijk dat we hier te maken hebben met “objectieve” geschiedschrijving. Zeker niet wanneer men de tal van discrepanties in ogenschouw neemt gevonden in de evangeliën die niet allemaal historisch correct kunnen zijn.


Quote 3: Het Ontbreken Van Vroege Attestatie

“De kerkvader Irenaeus (circa 180 n. Chr.) is na Papias de eerste die de vier evangelisten bij naam noemt.” – Radagast de Bruine

Papias noemt er twee; Mattheus en Marcus. Ik heb duidelijke redenen aangeven, variërend van “Markian Priority” tot geen intern bewijs dat Marcus gebaseerd is op het verhaal van Petrus, om aan te tonen dat Papias het aan het verkeerde eind heeft en dus geen bewijs is voor vroege attestatie.

“De werken van de eerdere kerkvaders waren vooral brieven (bijvoorbeeld die van Clemens, Ignatius en Polycarpus), waarbij het niet belangrijk was om te vermelden van wie een citaat was, omdat de lezers deze citaten wel herkenden. Deze kerkvaders citeren ook de brieven van Paulus zonder de auteur te vermelden. Bij de brieven van Paulus is het raden van de auteur niet zo moeilijk, omdat al zijn brieven met zijn naam beginnen.” – Radagast de Bruine

Waarop baseert Radagast dat de lezers deze citaten toch wel herkenden? Hij draagt helaas geen bewijs aan voor deze claim. Bij Paulus is het een heel ander verhaal, Paulus identificeert zich namelijk in het begin van de brieven. De auteurs van de evangeliën identificeren zich nergens.

Misschien een kleine vergissing van Radagast, maar het onderstaande lijkt een tegenstelling te zijn met wat hij hierboven vertelde.

“Omdat deze lezers niet bekend waren met de evangeliën en de namen van de eerste christenen, had het voor Justinus weinig zin om te vertellen wie de evangelisten waren.” – Radagast de Bruine

Ik vraag me af hoe Radagast tegelijk kan claimen dat “de lezers deze citaten wel herkenden” en dat “deze lezers niet bekend waren met de evangeliën en de namen van de eerste Christenen”. Het een lijkt mij niet te stroken met het andere.

“Daarom noemt hij de evangeliën de ‘herinneringen van de apostelen’ (ἀπομνημονεύματα τῶν ἀποστόλων). Toch geeft ook hij aanwijzingen dat hij wist wie de auteurs van de afzonderlijke evangeliën waren. In zijn Dialoog met Trypho, 103, citeert Justinus uit het evangelie van Lukas. Hij verwijst in dat geval niet naar de ‘herinnnering van de apostelen’, maar naar de ‘herinneringen die zijn opgeschreven door Zijn [Jezus’] apostelen en degenen die hen volgden’. Dat is een indicatie dat Justnus wist dat het derde evangelie niet door een apostel, maar door een volgeling van de apostelen was geschreven.” – Radagast de Bruine

Een aanwijzing zou ik het niet willen noemen aangezien Justinus nooit de namen Lucas en Marcus geeft. Er is dus geen reden om aan te nemen dat hij de evangeliën destijds kende bij die namen. Waarom het onbetrouwbaar is dat Marcus het verhaal van Petrus heeft opgeschreven, heb ik reeds uitgelegd.

“TDM negeert echter het getuigenis van Irenaeus, Clemens van Alexandrië, de Canon van Muratori en vele andere bronnen.” – Radagast de Bruine

Irenaeus heb ik nergens genegeerd. Mijn letterlijke woorden waren: “We hebben dus verschillende vroege kerkvaders die evangeliën quoteren, maar tot aan Irenaeus in 180/185 is er geen die zegt uit welk evangelie er gequoteerd werd”. Clemens van Alexandrië schreef ook rond 180CE. Hij vermeldt dat de evangeliën met de genealogie eerst kwamen (hij noemt Mattheus en Lucas dus niet bij naam), Marcus geschreven was op verzoek van Petrus’ prediking in Rome en Johannes geschreven is als laatste. Het Canon van Muratori wordt geschat op ongeveer 170 CE (of soms zelfs de 4de eeuw), het geeft dus een 10 jaar speling. Echter is het probleem dat onze oudste manuscript ervan stamt uit de 7de eeuw. Met zowel Clemens van Alexandrië als het Canon van Muratori schiet Radagast dus niet veel op.


Quote 4: Geletterdheid onder Jezus’ eerste volgelingen

“De eerste Joodse volgelingen van Jezus waren dus voornamelijk inwoners van Jeruzalem. Jeruzalem was het grootste stedelijke centrum in Palestina, waar de meeste geletterde mensen woonden.” – Radagast de Bruine

Jezus wordt volgens de evangeliën groots onthaalt in Jeruzalem. Echter is er geen reden om aan te nemen dat dit ook daadwerkelijk het geval was. Vergeet niet dat de evangeliën geschreven zijn met als doel om mensen te overtuigen van de verhalen over Jezus en het dus waarschijnlijk is dat deze verhalen over het onthaal zwaar overdreven zijn door de eerste Christenen.

Opvallend is dat Jezus zich pas op het eind van het verhaal naar Jeruzalem begeeft. Nergens bevindt Jezus zich daarvoor op welk moment dan ook in de evangeliën in een stad of zelfs in de buurt van de stad. Zijn eerste volgelingen waren dus geen stedelingen, maar Joden van het platteland. Boeren uit Galilea en die genoten geen opleiding. De eerste volgelingen van Jezus waren de apostelen en geen enkele daarvan kwam uit de grote stad. Mattheus niet en Johannes ook niet.Het is dus hoogst onwaarschijnlijk dat deze apostelen konden schrijven.

“Bovendien schreef Josephus in hoogwaardig, literair Grieks, terwijl de evangeliën in eenvoudiger Grieks geschreven zijn.” – Radagast de Bruine

Ook voor dit eenvoudiger Grieks zou een opleiding en training nodig zijn. Iets waar laag opgeleide Joden van het platteland geen toegang tot hadden. Enkel hoogopgeleiden aristocraten of getrainde slaven en er is geen reden om aan te nemen dat we hier te maken hebben met een van beiden.


Specifieke Argumenten over Auteurschap

Markus

“Eigenlijk noemt TDM geen argumenten waarom het derde evangelie niet door Markus geschreven zou kunnen zijn. Hij schrijft alleen dat er geen indicaties zijn om te denken dat Markus de auteur was, maar die conclusie volgt niet uit wat hij in de paragraaf over Markus schrijft. Hij bespreekt namelijk niet de externe en interne aanwijzingen die het auteurschap van het evangelie van Markus bevestigen.” – Radagast de Bruine

Radagast gaf openlijk toe dat er weinig bekend is over Marcus. De informatie die hij gaf bleek onbetrouwbaar (Kollossenzen is een vervalsing in Paulus’ naam en Handelingen geeft geen betrouwbaar beeld over Paulus en is tevens een enkele bron). We weten dus niet zoveel over Marcus en om dan te stellen dat hij kon lezen en schrijven in het Grieks op het niveau van Philo en Paulus gaat te ver. Als Marcus tot de 12 behoorde, dan was hij een ongeletterde Aramees sprekende Jood van het platteland, die genoten geen opleiding.

Verder heb ik aangegeven dat er geen enkele reden is om te denken dat Marcus de versie is van Petrus, daar is geen intern of extern bewijs voor. Marcus leest namelijk niet als iemands versie en het hardop lezen van Marcus duurt hooguit twee uur. Behoorlijk weinig voor iemand die dag en nacht rondom Jezus zou zijn geweest.

Informatie die Radagast overigens niet meldt, is dat 1 Petrus 5:13 melding maakt dat Marcus de zoon van Petrus zou zijn. Was Marcus werkelijk de zoon van Petrus en de neef van Barnabas ondanks dat niemand anders hier melding van maakt? Geen enkele kerkvader? Of liegt Petrus in 1 Petrus wanneer hij zegt dat Marcus zijn zoon is? Want ik ga er even vanuit dat Radagast van mening is dat 1 Petrus ook echt geschreven is door Petrus.

Mattheus

“TDM geeft een beschrijving van het belastingsysteem in Romeins Palestina. Hooggeplaatste tollenaars konden waarschijnlijk lezen en schrijven, maar die vaardigheden namen af naarmate je lager op de sociale ladder was geplaatst als tollenaars. De eenvoudigste tollenaars konden waarschijnlijk alleen een beetje lezen. Hiermee bevestigt TDM dat Mattheüs, als tollenaar, mogelijk kon lezen. Daarom is er op basis van zijn beroep geen reden om te twijfelen aan de overlevering dat Mattheüs de auteur van het eerste evangelie was. Bovendien is het natuurlijk mogelijk dat Mattheüs als tollenaar slechts een beetje kon schrijven – niet genoeg om een volledig evangelie te schrijven – maar dat tijdens zijn apostelschap nog beter heeft leren schrijven.” – Radagast de Bruine

Mijn exacte woorden waren:

zijn werk als tollenaar veronderstelt ook niet dat hij geletterd was. We weten niet hoe hoog hij in de organisatie geplaatst was (waarschijnlijk was hij het type persoon dat kwam aankloppen bij mensen om ze te vertellen dat ze moesten betalen) en voor het innen van geld was geen leesbekwaamheid nodig. Er zijn genoeg ongeletterde mensen die wisselgeld kunnen terug geven wanneer ze iets afrekenen. Mattheus zou dan vooral moeten optellen en aftrekken en dit staat natuurlijk niet gelijk aan het opstellen van een Grieks schrift a la het niveau van het Evangelie van Mattheus.”

Ik heb dus nergens gezegd dat de eenvoudigste tollenaars waarschijnlijk een beetje konden lezen, ik heb dus ook nergens bevestigd dat Mattheus zou kunnen lezen. Voor het werk wat Mattheus de tollenaar deed, was geen enkele leesbekwaamheid nodig. Overigens refereer ik graag weer terug aan de quote van Dale Martin die ik eerder gaf:

“Literacy levels were so low in the Roman Empire of this time that it has been estimated that not more than 10 precent of people, and probably fewer, could read and write. Many people may have been able to read a bit, but not write, the two skills being quite different. Then, as always, writing required much more education than simple reading.”– Dale Martin – New Testament History and Literature (p. 207)

In het geval dat Mattheus de tollenaar een beetje zou kunnen lezen (Grieks? Aramees?), dan staat dit nog niet gelijk aan het opstellen van een evangelie in het Grieks. Schrijven, zoals dat tegenwoordig nog altijd is, vraagt veel meer training en onderwijs dan lezen. Lezen en schrijven waren in de Oudheid twee aparte vaardigheden. Kunnen lezen betekende niet dat je ook kon schrijven.

Voor de claim dat Mattheus tijdens zijn apostelschap (beter) heeft leren lezen en schrijven, is geen bewijs. Er is dus geen enkele reden om te denken dat Mattheus de tollenaar de auteur was van het Mattheus evangelie.

Lucas

“Het enige argument dat TDM inbrengt om te betwijfelen dat Lukas de auteur van het derde evangelie en Handelingen is, zijn de vermeende tegenstrijdigheden tussen de boeken van Lukas en de brieven van Paulus.” – Radagast de Bruine

Radagast gaat enkel in op het argument van Martin en niet op het citaat wat ik gaf van Ehrman waarin staat dat er ook belangrijke theologische verschillen zijn tussen de brieven van Paulus en Lucas/Handelingen.

Buiten hetgeen wat Dale Martin zegt, zijn er nog tal van verschillen tussen de brieven van Paulus en Handelingen die het moeilijk maken te geloven dat Lucas een reisgenoot was van Paulus. Ik zal er een geven:

In de brief aan de Galaten probeert Paulus zijn heidense lezers te overtuigen dat het een vergissing zou zijn om zich te laten besnijden en om de joodse Wet te gaan volgen. Paulus benadrukt dat zijn idee hierover direct van God komt. Verkregen tijdens zijn visioen van Jezus. Hij kreeg dit idee niet, en dit benadrukt Paulus ten zeerste, van apostelen van voor zijn bekering. Na zijn visioen ging Paulus niet naar Jeruzalem om met de apostelen te praten. Hij ging naar Arabië en daarna terug naar Damascus en ging drie jaar lang niet naar Jeruzalem. (Galaten 1:15/19).

Dit staat in schril contrast met wat Handelingen zegt. In Handelingen 9:1/16 lezen we dat Paulus verblind is door het visioen van Jezus en dat hij Damascus binnen ging en daar zijn zicht terug kreeg. Het eerste wat hij hierna doet is naar Jeruzalem gaan om de apostelen te bezoeken.

Beiden kunnen niet historisch waar zijn. Of Paulus bezocht de apostelen na zijn visioen, of hij bezocht ze niet. Natuurlijk kun je opzoek gaan naar “onbedoelde aanvullingen” tussen twee geschriften. Maar je berooft zodoende de auteurs van hun geschriften van hun integriteit. Je gebruikt het ene geschrift om het andere geschrift uit te leggen. Het is niets meer dan een poging tot harmoniseren.

“Inderdaad was Paulus’ moedertaal waarschijnlijk Grieks en leerde hij Hebreeuws toen hij vanuit Tarsus naar Jeruzalem verhuisde.” – Radagast de Bruine

Dit blijkt nergens uit zijn authentieke brieven. Daarin geeft Paulus nergens een indicatie dat hij Hebreeuws las of Aramees sprak. Handelingen is dus geen betrouwbare bron en er is dus ook geen reden gezien Paulus zijn authentieke brieven om aan te nemen dat Paulus Aramees of Hebreeuws beheerste.

Verder heb ik gaan gegeven waarvoor de “wij” passages dienen in Handelingen en geef ik aan hoe Lucas en Handelingen aan hun “auteurschap” zijn gekomen. Twee zaken waar Radagast niet in gaat.

Johannes

“De auteur van het vierde evangelie identificeert zichzelf dus als ooggetuige van de gebeurtenissen die hij beschrijft.” – Radagast de Bruine 

Radagast claimt dat ik een foutieve uitleg heb gegeven van Johannes 21:24. Probleem echter blijft dat er in deze passage een duidelijke differentiatie wordt gemaakt tussen de “discipel” en “wij” (de auteur). Een differentiatie die niet terugkomt in passages die Radagast opnoemt in zijn opening.

“Dat zou echter wel een vergaande samenzwering van vele personen vereisen.” – Radagast de Bruine

Ik zie je eigen geloofwaardigheid boosten niet als een vergaande samenzwering. Ik heb redenen gegeven waarom Polycarp en Papias Johannes waarschijnlijk nooit gekend hebben. Op deze redenen is Radagast niet ingegaan.


Datering

Paulus en de Evangeliën

De late datering van de evangeliën hangt natuurlijk niet af van een enkel argument. Het is niet gebaseerd op enkel het feit dat Paulus er nergens melding van maakt. Natuurlijk zou het kunnen dat de evangeliën nog niet wijdverspreid waren. Echter, is Paulus wel de uitgesproken persoon om er melding van te maken aangezien hij veel gemeentes bezocht en veel reisde. Het bestaan van een dergelijk geschrift als een evangelie zou hem ten ore kunnen zijn gekomen. Marcus mag dan wel in Rome geschreven zijn, maar Paulus komt daar ook komt daar ook volgens Handelingen.

Circulatie en Vertaling

“Circulatie – als die er al is geweest – hoeft natuurlijk niet lang te duren. Al heel snel na de gebeurtenissen kunnen deze opgeschreven zijn.” – Radagast de Bruine

Door wie? Jezus eerste volgelingen waren laagopgeleide Joden van het platteland, Mattheus en Johannes vallen dus al af. Lucas? Die was hoogstwaarschijnlijk geen reisgenoot van Paulus. Marcus? Zoals Radagast al aangaf weten we niet zoveel van hem af. Als er al geschreven werd, dan werd dat gedaan door hoogopgeleide aristocraten of getrainde slaven. Stel jezelf maar de vraag. Hoeveel auteurs kennen we uit het Palestina van de eerste eeuw? En wie waren dat? Laagopgeleide Joden?

De voorspellingen van Jezus

“Een profetie is in feite een wonder, omdat het tegen de natuurlijke gang van zaken ingaat.” – Radagast de Bruine

Hier ben ik het niet mee eens. Als ik een “profetie” zou uitspreken dat er een kind geboren zal worden die later koning zal zijn en het koninkrijk in ere zal herstellen, dan maak ik hier geen enkele bovennatuurlijk uitspraak. Een tempel die verwoest zal worden, is ook geen bovennatuurlijke uitspraak. Wanneer ik zeg dat mij dit door God ingegeven is, dan bevind ik me niet langer meer op historisch vlak, maar op theologisch vlak.

Historici kunnen inderdaad geen uitspraken doen over wonderen, maar het betreft hier ook geen wonder. Gebouwen worden dagelijks verwoest, daar is geen bovennatuurlijke interventie voor nodig. Maar misschien heeft Jezus daadwerkelijk uitgesproken dat de tempel verwoest zou worden, die kans bestaat. De kans bestaat echter ook, en dit hebben we kunnen zien met het boek van Daniel, dat het na de “geprofeteerde” gebeurtenissen is opgeschreven. En die kans is dus reëel en groter gezien de geschiedenis.

“Het lijkt er dus op dat Jezus niet alleen de verwoesting van de tempel voorspelde, maar ook de Tweede Joodse Opstand waarbij de gruwel van de verwoesting op de plaats waar de tempel stond zou komen. De Tweede Joodse Opstand vond plaats van 132-136 n. Chr. Als TDM consequent is, zou hij de synoptische evangeliën dus na het jaar 132 moeten dateren, wat echter allerlei nieuwe problemen zou veroorzaken.” – Radagast de Bruine

Justinus de Martelaar citeert als eerste uit de evangeliën. Hij schreef rond 150 CE. Het is moeilijk voor te stellen dat de evangeliën geschreven zijn, in de hoedanigheid zoals ik die beschreef, na 132 CE en in een rap tempo wijdverspreid werden. Dat Jezus’ “profetie” zou slaan op de tweede Joodse opstand is dus hoogstonwaarschijnlijk, het moet dus refereren op een gebeurtenis daarvoor.


Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s